Fragment uit het boek Broertje Michael Berg

Wij doen mee met een blogtour georganiseerd door Overamstel Uitgevers. Vandaag mogen we jullie trakteren op een leesfragment van het boek Broertje van Michael Berg dat op 16 oktober verschijnt. Lezen jullie mee?

9789044351101 (1)

Samenvatting van het boek:

Na een telefoontje van de politie vliegt Lotte Pradel halsoverkop naar Zuid-Frankrijk. Haar vier jaar jongere en autistische broer Felix wordt verdacht van de moord op hun vader, hun stiefmoeder en een nog onbekende vrouw. Hoewel Lotte met haar vader – een oud-politicus – heeft gebroken en ze Felix sindsdien niet meer heeft gezien, weet ze een ding zeker: haar broer kan onmogelijk de dader zijn. Op het politiebureau ontmoet ze Felix voor de eerste keer na tien jaar. Het contact verloopt buitengewoon stroef. Maar als Felix ontsnapt, kan Lotte niet anders dan hem volgen.

Leesfragment: 

Eerder

Geld. Check. Mustafa. Check. Het was een tic geworden. Om de zoveel tellen rustte zijn hand op de buidelriem waarin het geld ver- borgen zat, waarna zijn blik zijn broertje opzocht. Zorg dat jullie veilig overkomen. Amin had het gezworen bij Allah.

Geld.

Check.

Mustafa.

Check.

Het geld en Mustafa, geen seconde mocht hij ze uit het oog verliezen. Zodra jullie veilig over zijn komen wij, had zijn vader gezegd. Wat natuurlijk niet waar was. Zijn ouders zouden net zo lang in Aleppo blijven tot er geen steen meer overeind stond. Omdat ze geen keus hadden, omdat ze geen geld hadden voor de oversteek. Tenminste, niet voor vier personen. En elk jaar dat de oorlog langer duurde, kostte de oversteek meer.

Met pijn en moeite had zijn vader achtduizend dollar bij elkaar weten te schrapen. Genoeg voor twee personen. Op een avond had hij Amin apart genomen en hem een pak beduimelde bankbiljetten in handen gedrukt. Doe geen domme dingen met het geld, had  hij gezegd. Amin had geknikt. De tijd van losbandigheid en kat- tenkwaad lag achter hem. En zorg voor je broertje, had zijn vader eraan toegevoegd. Amin had het beloofd. Daarna had hij zijn ouders omhelsd en hadden ze alle drie staan huilen. Maar vanbinnen juich- te Amin. Zijn droom werd werkelijkheid. Weg uit de nachtmerrie van vatbommen en gifaanvallen, weg uit het land waar nooit meer vrede zou heersen. Hij was drieëntwintig, in de bloei van zijn leven en hij wilde naar Nederland.

Hij had er maar kort gewoond, maar hij herinnerde zich nog alles. De school, de fiets die hij gekregen had, de houten keten, het voetbalveldje waar ze tussen de middag en na schooltijd speelden en waar gras groeide dat groener was dan hij ooit had gezien. Het dorp lag even verderop. Huizen met schuine pannendaken en weelderige tuinen waar vriendelijke mensen woonden die zich enorm hadden ingespannen om uitzetting te voorkomen. Toen het eenmaal zo ver was, hadden ze hen huilend staan uitzwaaien.

Lang geleden.

Hij was nog een kind. Maar die paar woordjes en zinnetjes die hij had onthouden zou hij nooit vergeten. ‘Meisje’ en ‘Ik vind jou leuk’. Wie weet kwam het ooit van pas. Nederlandse meisjes waren lang en blond en ongetwijfeld niet zo preuts als de meisjes in Aleppo. Ooit zou hij met een Nederlandse vrouw trouwen. Hij had een goed stel hersenen en hij was niet te beroerd om ook ander werk aan te pakken. Vies werk desnoods. Het zou hem lukken.

Check, check, double check.

Zijn hand rustte weer op de buidelriem waarin het geld samen met zijn mobiel en hun paspoorten in een waterdicht plastic tasje zat opgeborgen. Daarna keek hij naar Mustafa. Het gezicht van zijn jongere broertje was ouder en harder geworden. Zelf zag hij er vast ook anders uit, dacht Amin. De reis had zijn sporen achtergelaten. De voortdurende angst om beroofd te worden, in een vuurgevecht of een bombardement terecht te komen, elkaar kwijt te raken of  te sterven. Tot nu toe hadden ze geluk gehad. Zonder al te veel problemen hadden ze de grens weten te bereiken. De overgang bij Bab al-Salama was open. Ze hadden de wachtmannen omgekocht en de bus genomen naar Izmir. Volgens hun vader woonde daar een man die de oversteek kon regelen. Voor een redelijk bedrag en veilig. In kleine groepen, met goede boten. Niet naar Lesbos waar tegenwoordig zoveel gepatrouilleerd werd dat elke poging zinloos scheen, maar naar een ander Grieks eiland. Amins vader wist niet hoe de man heette, alleen dat hij in de tweehonderdtweeënvijftigste straat woonde, niet ver van een postkantoor, en dat hij een litteken boven zijn linkeroog had.

Na twee weken hadden ze de man gevonden. Hij beweerde dat hij Abdel heette – wat ongetwijfeld niet zijn echte naam was –, had een kaal hoofd, een dikke buik en sprak vloeiend Arabisch. Abdel had het over een snelle boot waar niet meer dan veertig mensen in gingen. In verband met de veiligheid mochten ze alleen lichte ba- gage meenemen. Maximaal vijf kilo per persoon. Eten en drinken moesten ze ook zelf meenemen. Voor vierentwintig uur. De over- steek vond alleen plaats bij goed weer. In verband met de veiligheid, had Abdel herhaald, terwijl het litteken boven zijn oog bewoog. De prijs bedroeg drieduizend dollar. Vijftienhonderd vooraf en vijftien- honderd bij het opstappen op de boot.

Amin was naar het toilet gegaan om het geld uit de buidelriem te halen en had de man onder de tafel betaald. Daarna hadden ze te horen gekregen hoe het verder ging.

Tot nu toe had Abdel woord gehouden. Vanochtend het verzame- len op de parkeerplaats naast de Murat Reis Kami-moskee. Goed, ze waren met meer dan veertig vluchtelingen, maar misschien had Abdel meer boten. Terwijl ze in busjes werden gepropt en naar een geheim adres werden gereden, voelde Amin hoe de euforie hem naar het hoofd steeg. Nu begon de reis pas echt. De reis naar de vrijheid. Mustafa was al net zo opgetogen als hij. In het busje werd gezongen. Na anderhalf uur rijden waren ze gearriveerd bij een afgelegen loods, geen zee in zicht. Buiten stond een lichte bries. Niets om zich zorgen over te maken. Amin rook de zeelucht. Vier mannen in Adi- das-jackjes gaven in gebrekkig Arabisch aanwijzingen. In de loods moesten ze wachten tot zonsondergang, wanneer meneer Abdel hen zou komen ophalen. Het wachten begon. Terwijl  de zon het golfplaten dak schroei-de, deelde Amin de waterfles met Mustafa en luisterde hij naar de gesprekken om hem heen. De meeste vluchtelingen waren Syriërs. Een paar mannen beweerden dat ze uit Aleppo kwamen, maar ze vertelden dingen over de stad die niet klopten. Amin besloot er niets over te zeggen. Vooral niet opvallen, dacht hij, niet zo vlak voor de oversteek. Een jonge vrouw trok zich in een hoekje terug om haar baby de borst te geven. Hoewel Amin geen borst kon zien, trok zijn blik steeds weer naar de vrouw. Een nieuw groepje vluchtelingen ar- riveerde. Vier mannen, een vrouw en een kind. Amin telde ze op bij de andere vluchtelingen. De mannen had veel meer bagage bij zich dan toegestaan, maar hij piekerde er niet over er iets van te zeggen. Er arriveerde weer een nieuwe groep. Vijf mannen, twee gesluierde vrouwen en drie kinderen. De teller stond inmiddels op meer dan tachtig personen. Terwijl Amin dacht aan wat meneer Abdel had beloofd over het aantal vluchtelingen, keek hij naar Mustafa die zich kennelijk van geen gevaar bewust was.

Het begon te schemeren. De wind trok aan, een koude wind die Amin deed huiveren. Het golfplaten dak klapperde. Een van de Adidas-jackjes stond zenuwachtig te bellen. Amin verstond er geen woord van. Even later arriveerde de man met het litteken, die zenuwachtig riep dat iedereen hem moest volgen en dat ze muisstil moesten zijn. De stoet zette zich in beweging. Onder een dunne maan liepen ze over een pad van stenen en grind. Aan weerszijden struiken en lage bomen. De zilte zeelucht drong Amins neus bin- nen. Hij kon de golven al horen. Of was het de wind? De takken van de bomen zwiepten op en neer.

Na een halfuur lopen kwam de stoet tot stilstand. Vanaf de klif keken ze uit op een baai vol schuimkoppen. Op zo’n tweehonderd meter van de kust dobberde een kleine vissersboot op de woeste golven. Was dat de enige boot? En was de boot niet veel te klein? Uit de groep klonken protesten. Iemand riep dat dit niet de afspraak was en dat hij zijn geld terugeiste. Iemand anders schreeuwde dat er veel te veel wind stond om met zo’n klein bootje veilig over te steken. Amin voelde Mustafa’s hand in de zijne. Een klamme, angstige hand. Hij wilde zijn broertje geruststellen, maar hij wist niet goed wat hij moest zeggen. De protesten van de vluchtelingen zwollen aan. Een paar kleine kinderen begonnen te huilen.

Geen paniek, riep Abdel die moeite had zich verstaanbaar te ma- ken. Ze zouden maar een klein stukje met de vissersboot varen. Alleen de baai uit. Buiten op zee wachtte een trawler die hen naar Lesbos zou brengen.

Een van de vluchtelingen schreeuwde dat beloofd was dat ze naar een ander eiland gebracht zouden worden. Nee, schreeuwde Abdel terug, ze gingen naar het dichtstbijzijnde eiland, naar Lesbos. Terwijl Amin tussen de schuimkoppen naar een trawler zocht, leek het of de wind even weer luwde.

Wie niet mee wilde, riep Abdel met schorre stem, kon nu terug- keren. Maar zijn vijftienhonderd dollar was hij kwijt. Wie wel mee wilde, moest het resterende bedrag betalen op het strand. Vijftien- honderd dollar per persoon. Dat was de deal.

Langzaam verstomden de protesten. De stoet volgde Abdel naar het strand. Tussen de rotsen lagen twee polyester roeiboten. De vluchtelingen moesten zich opstellen in een rij en het bedrag voor de overtocht gereedhouden, waarna Abdel, geassisteerd door twee Adidas-jackjes, het geld in ontvangst nam. Vervolgens zetten de andere helpers de vluchtelingen in groepjes van tien over naar de vissersboot. Amin en Mustafa hoorden tot de laatste groep. De twee jackjes, die geholpen hadden het geld in te zamelen, voeren mee. Alleen meneer Abdel bleef op het strand achter.

Plotseling trok de wind weer aan. Ze hadden de grootste moeite om de vissersboot te bereiken. Als een luciferdoosje werden ze steeds weer teruggeworpen. Aan boord van de vissersboot stonden een paar mannen te schreeuwen. Hun woorden gingen verloren in de wind. Pas toen ze vlak bij het vaartuig waren, verstond Amin wat de mannen riepen. De vissersboot was lek. De mannen eisten een andere boot. Een van de helpers riep dat er met de boot niks mis was en dat ze maar een klein stukje hoefden te varen. Daarna duwde hij Amin, Mustafa en de anderen hardhandig aan boord.

De vissersboot was inderdaad lek. Of overbeladen. Zodra hij over de reling gestapt was, baadde Amin tot zijn enkels in het ijskoude water. Check, check, double check. Hij voelde weer Mustafa’s hand in de zijne. Een bange hand. Zelf was hij ook bang, maar Amin deed zijn uiterste best niets te laten blijken. Hij richtte zich tot de man die als enige van de jackjes ook aan boord van het vaartuig was gekomen en zei dat ze een stel boeven waren en dat hij terug wilde naar land en zijn geld terug wilde. Varen! riep de man alsof hij niets gehoord had. Hij startte de motor en wees iemand aan om het roer te nemen. In de groep brak paniek uit. Een vrouw met een huilende baby in haar arm begon te krijsen. Een andere vrouw gilde dat ze een schipper wilde. Varen, riep de man weer. Hij wees naar een zwak flakkerend lichtje in de verte en zei dat dat Lesbos was en dat ze zich geen zorgen hoefden te maken. En als ze toch in de problemen kwamen, moesten ze een noodsignaal afgeven. In de kajuit lag een kist met vuurpijlen.

Geen woord over de trawler. Toen de man weer in de roeiboot wilde stappen, hielden een paar vluchtelingen hem vast. Tijdens het handgemeen dat ontstond, trok een van de drie jackjes in      de roeiboot zijn pistool en hij loste een schot. Nog meer paniek. Schreeuwen, huilen, vloeken. Er werd opnieuw geschoten. Een van de vluchtelingen die de helper probeerde vast te houden zakte ineen. De mensensmokkelaar maakte van het moment gebruik om in de roeiboot bij de anderen te springen. Varen! riep hij. Die kant op! Terwijl een golf de roeiboot terugwierp in de richting van de kust, wees hij naar het lichtje in de verte.

Amin voelde hoe Mustafa zijn hand fijnkneep. Komt goed, zei hij tegen zijn broertje, komt goed. Ondertussen keek hij naar de vrouwen die zich huilend over de neergeschoten man ontfermden. Komt goed, zei hij nogmaals tegen Mustafa. Achter hen, bij het roer, stonden een paar mannen te ruziën hoe het verder moest. De dode

overboord gooien of niet? En dan? De oversteek wagen of niet? Een van de mannen meende zeker te weten dat het lichtje in de verte Lesbos was. Na wat heen en weer schreeuwen viel de beslissing. De dode bleef aan boord en ze zouden de oversteek wagen. De man die zeker wist waar Lesbos lag kreeg het roer in handen gedrukt.

Met pruttelende motor zette de vissersboot koers richting open zee. Alles ging voorspoedig tot ze de baai uit voeren en de wind vol op de boeg kwam te staan. De boot kraakte in al haar voegen. De golven waren zo hoog dat het water met bakken over de reling sloeg. Een paar mannen begonnen als bezetenen te hozen. Met een emmer, met een lege jerrycan, met hun handen. Het was dweilen met de kraan open. Amin probeerde zijn broertje gerust te stellen. Komt goed, komt goed. Niks kwam goed, dacht hij. De vrouwen verdrongen zich om samen met hun kinderen een droog plekje te vinden op het dak van de kajuit.

Al’ama!

De vloek ging grotendeels verloren in de wind. Amin zag hoe de man aan het roer wanhopig zijn armen omhoogstak. Op hetzelfde moment realiseerde hij zich dat de motor van de vissersboot niet langer stampte. Een lege tank. En geen brandstof. Als een lopend vuurtje verspreidde de boodschap zich over de boot. Gejammer, gehuil, geschreeuw, nog meer paniek. De mannen die zonet nog eensluidend de beslissing hadden genomen om de oversteek te ma- ken, begonnen elkaar uit te schelden. Twee gingen zelfs met elkaar op de vuist. Een ander had de tegenwoordigheid van geest om uit de kajuit de kist met vuurpijlen te halen. Ondertussen zag Amin het lichtje in de verte steeds meer achter de golven verdwijnen. De duisternis viel over het water, op het zwakke licht van de dunne maan na. Inmiddels stonden ze tot hun knieën in het water. We verdrinken, zei Mustafa half huilend. Nee, we verdrinken niet, zei Amin, wanhopig om zich heen kijkend of er reddingsvesten waren of iets anders waaraan ze zich vast konden klampen. Hou je vast aan mij, ging hij verder, alles komt goed. Inshallah. Hij wilde nog iets opbeurends zeggen, maar een golf sloeg hem recht in het gezicht.

Terwijl de boot steeds dieper wegzakte, schoot de eerste vuurpijl de lucht in. Even werd de hemel verlicht. Amin zag hoe mensen vochten om een plekje op het dak van de kajuit en hoe ze een ge- sluierde vrouw met kind naar beneden trokken waarna ze door de golven werden verzwolgen. Een tweede en derde vuurpijl schoten de nacht in. Amin zag hoe het water Mustafa tot de kin reikte. Hou je vast, sprak Amin voortdurend tegen zijn broertje, en laat me niet los. Hij strekte zijn benen, tevergeefs zoekend naar houvast. Ze dreven. Om hen heen klonken hulpkreten. Mannen, vrouwen, kinderen. Happend naar lucht. In het schijnsel van de maan zag hij hoe ze een voor een kopje-onder gingen. Zwemmen Mustafa, zei Amin, zich realiserend dat Mustafa dat nooit geleerd had. Hij begon te trappelen en probeerde, terwijl hij Mustafa’s hand vast- hield, roerbewegingen te maken met zijn hand. Niet loslaten, zei hij telkens weer.

Het dak van de kajuit was inmiddels onder water verdwenen. Alleen de mast stak er nog boven uit. Amin kneep in Mustafa’s hand. Geen reactie. Leefde Mustafa nog? Amin durfde niet opzij te kijken. Hou vol, wilde hij weer zeggen, maar hij kreeg een golf zout water binnen die zijn maag deed kantelen. Wanneer zijn we in Nederland? De zwakke stem van Mustafa. Nog even volhouden, zei Amin. Hij voelde zijn krachten wegvloeien. Zorg voor je broertje. Als een heilige eed klonken de woorden van zijn vader in zijn hoofd. Hou vol, Mustafa. Het was alsof hij tegen zichzelf sprak. Hou vol, Mustafa. De golf benam hem de adem. Hij liet Mustafa’s hand los.

 

Michael Berg (1956), debuteerde in 2008 met het boek Twee Zomers. Daarna volgden Blind Vertrouwen, Een echte vrouw. Berg heeft inmiddels zeven boeken op zijn naam staan.

_WK_0109

De redactie was aanwezig op de boekpresentatie waar ons een genummerd en gesigneerd exemplaar werd verstrekt. Dit boek gaan we lezen en binnenkort komt de recensie online!

ISBN: 9789044351101 

Uitgeverij: The House of Books

Verschijningsdatum: 16-10-2017

512 p. 

Dit boek is op 16 oktober verkrijgbaar bij de boekhandels!

 

2 thoughts on “Fragment uit het boek Broertje Michael Berg

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *