Door: Thomas

Hoedenwinkel kiezen: pasvorm eerst, stijl daarna 

Je merkt pas of een hoed of pet echt goed zit als je ’m na een paar minuten bijna vergeet. Dat is wat je wil: hij blijft op z’n plek zonder dat je ’m steeds terugduwt, hij drukt niet op je slapen en je voorhoofd blijft relaxed. Begin dus bij pasvorm en draagcomfort. Als dat klopt, wordt stijl kiezen ineens simpel. Bij Hoedenwinkel start je daarom met passen: eerst comfort en stabiliteit, daarna pas de look.

 

1) Pasvorm-test: 10 minuten op je hoofd, zonder gedoe

De snelste manier om pasvorm te checken: zet ’m op en ga even “normaal” doen. Kijk omlaag, draai je hoofd, loop een rondje. Blijft hij stabiel zonder dat je automatisch gaat corrigeren, dan zit je goed.

Gun jezelf echt 10 tot 15 minuten. In het begin kan iets prima voelen, maar later toch druk geven bij je slapen of boven je oren. Denk ook meteen aan hoe je ’m buiten gebruikt (bijvoorbeeld wind of fietsen). Dan voorkom je dat je iets kiest dat binnen oké is, maar buiten irritant wordt.

Twijfel je tussen twee maten, let dan hierop:

– Wordt een model pas stabiel als hij dieper zakt, dan voelt de kleinere maat vaak zekerder

– Krijg je na een paar minuten druk bij je slapen of boven je oren, dan geeft de grotere maat meestal meer rust

– Draag je ’m lang achter elkaar, dan zit “net niet knellend” vaak het fijnst

– Draag je ’m veel buiten en moet hij stevig blijven, dan voelt iets strakker vaak stabieler

 

2) Model en proportie: de rand bepaalt meer dan je denkt

Rand en kroonhoogte bepalen het grootste deel van je uitstraling. Als die twee kloppen bij je gezicht en schouders, oogt het al snel verzorgd zonder dat je veel hoeft te “stylen”.

Twee snelle checks:

Een brede rand geeft meer schaduw en bedekt meer van je gezicht en nek. Fiets je veel of draag je vaak een jas met hoge kraag, check dan of de rand niet tegen je jas of sjaal tikt; dat draagt rustiger. Een hogere kroon maakt je silhouet optisch langer. Op winderige dagen vinden veel mensen een model dat wat lager en steviger op het hoofd zit prettiger. Neem dit meteen mee, dan kies je sneller iets dat past bij hoe je ’m echt gaat dragen.

3) Kapsel, bril en make-up: hier gaat het vaak mis (en dat is op te lossen)

Een hoed of pet werkt het best als hij samenwerkt met je dagelijkse look: je haar, je bril en eventueel make-up. Test dus met je normale kapsel, niet met “feesthaar”. Dan zie je direct of het model je haar platdrukt of juist ruimte laat. Wordt je haar snel plat, dan voelt een model dat iets minder diep hoeft te zitten vaak luchtiger, terwijl het toch stabiel blijft.

Draag je een bril, let dan op de zijkant. Het is fijn als de hoed of pet rustig langs je brilpootjes valt, zodat je bril netjes blijft staan en het boven je oren niet opgesloten voelt. Merk je druk, kies dan liever een model dat aan de zijkant minder strak aansluit, of een maat die die druk wegneemt.

Met make-up is het vooral praktisch: een rand geeft schaduw op je ogen. Zie je dat je ogen donkerder wegvallen, dan helpt wat extra definitie rond je ogen vaak meer dan een glanzende basis.

4) Gelegenheid en weer: wanneer een pet logischer is dan een hoed

Kiezen gaat sneller als je je dag meeneemt: ben je veel buiten, draag je een kraag, is er kans op wind, wil je iets dat snel af kan en mee kan? Voor iets netters is het prettig als een model rustig blijft zitten, zeker met jas, sjaal of oorbellen. En soms is een pet gewoon het handigst: snel op, makkelijk mee, en daardoor draag je ’m vaker.

Een pet is meestal minder opvallend dan een hoed. Wil je meer karakter in je outfit, dan doet een hoed dat sneller. Zoek je vooral iets dat je vaak en zonder gedoe draagt, dan wint een pet het vaak op praktisch comfort.

Wil je dat iemand met je meekijkt naar pasvorm, rand, haar en bril, laat dan vooral een specialist helpen. Dan kies je op draagcomfort, zodat je ’m met plezier opzet en laat zitten.